Vermoeide bruingele bladeren,

huiveren hun kouwelijk beven,

neerhangend tussen al dorre aderen,

na een zonnig zomerleven.

Om kalende takken en weerbarstig riet,

klaagt de wind weemoedig zijn lied.

Ik merk nu pas

alle plas

van de regen door mijn jas.

Jasses.

Related Posts